DE REIS
Op de vraag ‘Naast wie zou je het liefst zitten tijdens een lange vliegreis?’ heb ik het antwoord paraat. Mag de stoel alsjeblieft leeg blijven? Ik haat gelul in de ruimte. Daarmee is het antwoord op de tegengestelde vraag meteen gegeven. Ik stap op wanneer de zetel naast mij bezet wordt door een goeroe van de zachte wetenschappen.
Er zit een scheur in het behang van mijn slaapkamer. Daar heeft De Celestijnse belofte de muur geraakt. Ik zal op mijn sterfbed liggen en zeggen: ik heb nog nooit een sensitivitytraining meegemaakt en ik zal heengaan met een serene glimlach om de lippen. Ik heb eens ergens gewerkt waar werkelijk niemand het goed kon vinden met de hoogste baas. Een organisatiedeskundige kwam eens bij het middenmanagement informeren naar de interesse in een weekendje Ardennen. ‘Doen we ook van die oefeningen dat we elkaar aan een touw over een ravijn moeten trekken?’ vroeg ik gretig. Dat was het geval.
‘En mag ik F. dan lekker laten hangen?’ informeerde ik nu extatisch. Dat scheen nou juist niet de bedoeling te zijn van die expeditie. Toen is het niet doorgegaan.
Ik heb ook nog nooit een gesprek gehad met een boom, tenzij het zo hoog mogelijk beplassen van de stam meetelt als conversatietechniek. Waar ik woonde, bij een bos, vonden rouwverwerkingsprocessen plaats. De deelnemers lagen plat op hun buik in het bos en het was hun streng verboden te praten. Wat nog een hele opdracht is als er een hond in je kruis ligt te snuffelen.
Hoewel mijn aversie tegen het roeren in de ziel bekend is raak ik toch wel eens in een gesprek verzeild waarin het gaat over dichter-bij-jezelf-komen of het-bewustzijn-op-een-hoger-niveau-tillen. Zulke boodschappen komen bij mij niet door. Ik kan me niet voorstellen dat ik diep in mezelf iets aantref dat mij gelukkiger kan maken. Wat moet dat dan wel zijn? ‘Nou,’ zei mijn dochter, die een rittenkaartje psychiater had gekocht voor 75 euro per uur, ‘bijvoorbeeld dat je eens wat sneller eerlijk moet zeggen dat je iets dwarszit.’ Dat bedoel ik nou. Zo ga je van conflict naar ruzie door het leven, dat moet je dan allemaal weer goedmaken, assertiviteit kan knap tijdrovend zijn. Terwijl ik met mijn laat-maar-waaien-houding na een half uur alweer vergeten ben wat mij dwarszat.
Ook wil ik niet belanden in De Zevende Dimensie. Wat ga je daar meemaken dat een goed boek niet te bieden heeft? Ik wil mijn geest helemaal niet leegmaken, er vallen na al die levensjaren al genoeg gaten in. ‘Je moet eens wat meer leren van het leven te genieten’, hoor je dan. Er bestaat kennelijk een formulering van genot die mij niet bekend is. Hangen in de kroeg, praten tot diep in de nacht, met de rugzak door Tibet. Je moet toch altijd weer terug naar wat je niet bevalt. Wie de berg niet beklimt kan ook niet in het ravijn vallen, is mijn stelling – althans, als het me zo uitkomt.
Dus val ik in slaap en denk ik: wie weet of ik morgen weer wakker word. Dat is tot op heden steeds het geval geweest, maar dat brengt teleurstelling noch euforie met zich mee. Toen ik nog een hond had (en een vrouw) ging die hond aan de mouw van mijn jasje hangen wanneer ik naar mijn werk wilde gaan. ‘Baasje gaat hondenbrokjes verdienen’, zei ik dan. Het leek mij dat het bestaan daar ongeveer op neerkwam.